zaterdag 15 januari 2011

Survivor

Island hoppen in Caramoan
 Ik ben een echte expeditie robinson fan. Dan bedoel ik niet de tv serie vanaf de bank, maar het zelf overleven op een tropisch eiland. Fantastisch lijkt me dat. Dat hele groepsprocess mogen ze trouwens achterwege laten. Doe mij maar een onbewoond eiland, met een paar palmbomen, een eindeloze zee vol vissen en een hangmat. Ik vermaak me wel!


Meestal blijft het bij dromen, maar deze vakantie grijp ik de kans om zo’n eiland eens van dichtbij te bekijken. En daarbij – vanuit de hangmat – mezelf de vraag te stellen: “Zou ik hier kunnen overleven? Hoeveel kokosnoten duurt het voordat ik honger krijg?” Als ex-vegetarier kan je natuurlijk niet zomaar Nemo en vriendjes vangen en opeten. Dat is zielig!


Onderweg op de boot

Mijn plaats van bestemming is Caramoan. Een schiereiland met bijbehorende bounty eilandjes ergens in het midden van de Filipijnen. Het is er ‘expeditie robinson-waardig’, want Israel, Frankrijk, Bulgarije en Zweden hebben er inmiddels al 1 of meerdere series van ‘survivor’ (a.k.a. expeditie robinson) opgenomen.

Voor mij een uitstekende plek om het nieuwe jaar in te luiden. Behalve dan dat er juist op dat moment een koufront overtrekt. Dat betekend kou en regen, en een ruige oceaan. We kapseizen bijna met de boot. Oeps! Als ramppreventie adviseur ben ik weer lekker voorbereid. Ik had duidelijk iets beter naar het weerbericht moeten luisteren. Zo wordt surviven op een tropisch eiland toch iets minder aantrekkelijk.

De haven van Caramoan

Dat slechte weer is trouwens geen uitzondering. 90% van de tyfonen komt langs Caramoan en naastgelegen eilanden. De mensen weten hier dus heel goed wat overleven in het slechte weer is. Het leven hier is niet makkelijk, want er zijn maar weinig banen en het dorp is alleen per zee bereikbaar, ondanks dat het op een schiereiland ligt. De wegen worden jaarlijks weggevaagd door aardverschuivingen.

 
Bounty Island

Onderweg op de boot kom ik Arnold tegen, een jongen van mijn leeftijd. Hij is geboren en getogen in Caramoan, maar werkt al een aantal jaar in Makati, de business wijk van Manila. Echt naar z’n zin heeft hij het daar niet, maar hij heeft weinig keus. Veel van zijn leeftijdsgenoten wonen en werken inmiddels ook in Manila.




  
Regen boven zee
Een vriend van hem heeft wel werk in Caramoan. Dankzij Survivor. Door het programma zijn een paar (onbewoonde) eilanden verboden gebied. De TV kan geen pottenkijkers gebruiken. Wat ze wel nodig hebben zijn mensen die bijvoorbeeld de boten kunnen besturen en de camaraploeg kunnen assisteren. Dat levert per serie zeker 100 banen op voor de lokale bewoners. Zo helpt Survivor niet alleen de celebrities overleven op een bounty island, maar ook de lokale bevolking. Dat lijkt me een goede deal.

Op de boot schuilen voor de regen

Ik besluit na twee koude en natte dagen terug naar de zon van Manila te gaan. De hangmat is in de tas gebleven, maar ik heb me wel goed vermaakt. Het nieuwe jaar is in stijl ingeluid, met een bezoek aan de nachtmis, een warm ontvangst bij Arnold en familie, en een nacht vol dansmuziek en vuurwerk. Ik ben klaar voor 2011!



woensdag 22 december 2010

Leer Energie

Het zingt en zoemt door de kamer en je krijgt er een hele grote grijns van op je smoel. Ra ra ra, wat is dat? Een flinke portie Filipijnse ‘leer-energie’. Ook wel te herkennen aan veel gejoel, gelach, geconcentreerde gezichten, lastige vragen en slimme opmerkingen en de onwaarschijnlijke wil om dagen van 12 uur te maken.



Taal barrieres (3x)
Dat maakt een workshop organiseren in de Filipijnen zo leuk, en zo anders. Natuurlijk zijn er ook practische verschillen, zoals bijvoorbeeld het eewige gebrom van de airconditioning die altijd te koud staat en te veel herrie maakt.

Een ander verschil is de taal. Dat zit hem bijvoorbeeld in de namen van dingen. Men heeft het hier over meta cards, pentil pens, manila paper en icebreakers, ipv kartonnen kaartjes, stiften, flip charts en energizers.
Het zit hem ook in het taalgebruik, dat erg wordt beinvloed door culturele gevoeligheden – nooit elkaar afvallen in het openbaar, altijd beleefd blijven ook al ben je het er niet mee eens, en elkaar de ruimte geven om eindeloos te blijven praten zodat geen enkel tijdschema stand houdt.

Dat betekent trouwens ook dat een junior niet snel commentaar zal geven, en netjes wacht tot het management en de directeuren hebben gesproken. Gelukkig houden niet al mijn collega’s zich hieraan. Gender-barrieres zijn er trouwens ook. De vrouwen zijn hier in de NGO wereld aan de macht, dus meer aandacht voor participatie van mannen kan af en toe geen kwaad.

Nog een ander taalverschil is dat men graag in de eigen taal spreekt, in plaats van het Engels. Voor mij ook erg herkenbaar. Ik snak af en toe naar een lekkere Nederlandse discussie, maar als Nederlander ben ik hier in de minderheid.

Energie dipje?

Al die barrieres of verschillen zorgen soms voor stroeve discussies en starende blikken. Gelukkig zijn er trucjes om de leer energie weer op te stoken. Een van die trucjes zijn de zogenoemde ‘icebreakers’. We noemen ze in Nederlandse workshops ook wel energizers. Het zijn dansjes, liedjes, spelletjes of gewoon even elkaars nek en schouders masseren. Filipino’s zijn heel creatief en iedereen kan zo een standaard pakketje icebreakers uit de mouw schudden. Moeilijk is het niet, want men ligt hier om helemaal niets al in een deuk. Zo ook bij elke willekeurige icebreaker. Ideaal om uit een energie dip te komen dus.

Een andere goede methode is veel discussie. Het kost soms even om die op gang te brengen, maar als de motor loopt, dan is hij niet meer te stoppen. Een goed recept voor losse tongen is een discussie in de lokale taal (jammer voor mij!). Zo krijg je in korte tijd van alles door de zaal: kritiek op het overheidssysteem (met ambtenaren in de zaal!), tranen vanwege onmogelijke samenwerking met een knorrige burgemeester, en een grote (ietwat beschaamde) grijns van een project medewerker als ze verteld dat van de honderden geplante mangroves er nog 2 overeind staan na een zware storm.

Een derde is groepswerk. Een workshop is niet compleet zonder de nodige ‘manila papers’ vol gekleurde ‘meta cards’ en een presentator die glimmend van trots de resultaten oplepelt. Uiteraard horen daar allerlei creatieve applaus-ritmes bij (zacht-hard, 3 klappen en een yes!, met de voeten stampen etc). En men zal niet rusten voordat iedereen zijn of haar output heeft gepresenteerd, ook al betekent dat tot 10 uur ’s avonds doorwerken. Ik sta er soms versteld van. De fout om het applaus te vergeten of een groep over te slaan wegens tijdgebrek maak ik niet nog eens. Dat wordt me niet in dank afgenomen!
Voedingsbodem
Dit soort ervaringen, in combinatie met successen en positieve ervaringen van deelnemers, geeft stof tot nadenken. Het is de perfecte voedingsbodem voor goede leer energie. Dit soort workshoppen zijn bijzonder, want ze vallen meestal buiten elk project budget. Daarom is het belangrijk de leer energie vast te houden.

Het geeft mij als ‘young professional’ ook een hoop leer energie. Dat is nodig in een omgeving die zo anders is dan ik gewend ben en waar ik nog elke dag zoveel nieuwe dingen leer. Maar de energie na het organiseren van zo’n workshop is bij mij tijdelijk ook even op. Daarom ga ik eerst eens goed van de kerstvakantie genieten! Ik twijfel er niet aan dat mijn steeds langere to-do lijst er volgens jaar ook nog is.

Afgelopen december heb ik als belangrijk onderdeel van mijn werk hier een 8-daagse workshop georganiseerd met zo’n 40 deelnemers en verschillende gastsprekers. Het was een hele klus, maar heeft mij en de deelnemers ook een hoop energie gegeven. Lees een verslag van de workshop in mijn blog op oneworld.nl.

zaterdag 13 november 2010

Het openbaar vervoer

Jeepney
Een kennis uit Nederland noemde Manilla van de week ‘een vieze stinkstad’. Eigenlijk zou ik nu het liefst pagina’s vol schrijven en je ervan overtuigen dat hij absoluut ongelijk heeft. Dat ik geen idee heb hoe hij er bij komt! Maar hoe graag ik het ook wil ontkennen, dat gaat niet. Hij heeft gelijk. Manilla is een vieze stinkstad. Zelfs een van de vieste steden die ik ken.

Die stank wordt grotendeels veroorzaakt door het verkeer. Behalve stank veroorzaakt het verkeer ook files en daarmee een hoop ergernis. Een kleine introductie in het verkeer van Manilla aan de hand van een voorbeeld: mijn persoonlijke woon-werk verkeer. Ter vergelijking geef ik je ook de samenvatting van mijn – niet ideale – Nederlandse situatie (pendelen tussen Wageningen en Den Haag); half uur fietsen – 1 uur en 15 minuten met de trein – inclusief een onmogelijke overstap van spoor 4 naar spoor 18 – en dan nog eens 10 minuten lopen. Al met al was ik daar 2 uur enkele reis mee bezig. Behoorlijk heftig dus. Alles beter dan dat?

In eerste instantie zou je zeggen van wel. Zeker gezien de afstand tussen mijn huis en het werk hemelsbreed maar een paar kilometer is. Relaxed! Toch? Niet echt dus. Het verkeer van Manilla is heftig, heel heftig. En daarmee dealen – zonder jezelf het ziekenhuis in te werken – is een kunst op zich. Een overzicht van mijn woon-werk verkeer mogelijkheden:

1) eigen auto – als ik die zou hebben…

2) met de fiets – durf ik niet. Bepaalde delen van de route zijn gewoon te gevaarlijk tijdens de spits, en achter een vieze vrachtwagen de heuvel op fietsen om vervolgens met een zere keel, zwarte neus en doorweekt shirt op het werk aan te komen is niet ideaal.

In de jeepney
3) de jeepney – naast vrachtwagens een van de grootste vervuilers op de weg. Het is een kruising tussen een jeep en een open busje, ze rijden vaste routes, er passen zo’n 20 personen in en je kunt overal langs de route in- en uitstappen. Er rijdt zo’n jeepney van mijn huis langs mijn werk, en voor 10 Pesos (18 cent) ben ik op het werk. Nadeel is dat hij overal stopt en vaak wacht tot er nieuwe passagiers zijn. Al met al ben ik voor een paar km zo’n 3 kwartier onderweg met dat ding. Als het file is (en dat is eigenlijk altijd tijdens de spits) dan zit je echt midden in de uitlaatgassen, zo’n jeepney is namelijk van alle kanten open, en produceert zelf behoorlijk wat luchtvervuiling.

4) de taxi – niet echt openbaar vervoer, maar toch een beetje. Taxi’s zijn relatief prettig – want de meeste gebruiken een meter, en je hoeft niet voor elk ritje over de prijs te onderhandelen. Ook hebben ze airco, zit je uitlaatgas-vrij en lekker koel in de file. Met de taxi ben ik voor 1,25 EUR in 20 minuten op het werk. Duurder, maar ook luxer en een investering in de gezondheid: geen vervuiling, anti-stress etc. Taxi’s hebben ook nadelen. Met de taxi gaan kan je ook vergelijken met Russische roulette. Je weet nooit wat voor chauffeur je treft. De meeste chauffeurs hebben een 24 uur op – 24 uur af schema. Dat wil zeggen dat ze 24 uur taxi rijden en dan 24 uur vrij hebben. Ze beginnen rond een uur of 2 ’s ochtends en gaan dan door tot 2 uur de volgende dag. Als je ’s avonds laat een taxi neemt, dan weet je dat de chauffeur al niet zo helder meer is. Ik heb al vaak mijn hart vast gehouden tijdens ritten die leken op spannende achtervolgingsscènes uit de film, of op autocoureur computerspelletjes. Tot nu toe altijd een happy ending zonder dat er extra levens nodig waren…

Sardientjes in de metro
5) de metro – eigenlijk het beste openbaar vervoer. Luxe airconditioned wagons die minimaal elke 10 minuten rijden. Nadeel is dat hij niet naar mijn werk gaat, en het tijdens de spits doet denken aan sardientjes in blik. Als je de spits ontwijkt, dan is het perfect, bijvoorbeeld om naar het business district van de stad te gaan. Heerlijk om de files op de ringweg voorbij te zoeven en over de stad uit te kijken. En ongelofelijk maar waar: mannen staan op voor vrouwen, kinderen en ouderen.

Van het bovenstaande lijstje is de taxi het meest ideaal, maar zeker niet perfect. En ik neem ook vaak genoeg de jeepney. In beide gevallen mis ik de frisse Nederlandse ochtendfietstocht door het binnenveld naar het station en het wakker worden in de schone trein met koffie en krant. Nooit gedacht dat ik nog eens naar de NS zou verlangen…

maandag 1 november 2010

Bruine kroeg

In Nederland zit op elke hoek van de straat wel een bruine kroeg of dorpscafe. Hier vind je vooral tl-verlichte karaoke bars en fastfood restaurants. De bruine kroeg is hier verstopt in een donker hoekje en er zijn weinig Filipino’s die het concept waarderen. Gelukkig zit er zo’n kroeg vlak bij mijn huis, zodat ik – bij gebrek aan fiets – na een avondje kroeg lopend naar huis kan.

Conspiracy, de kroeg bij mij om de hoek, is speciaal-bruin. Er is elke avond live muziek, van het alternatieve soort. Er is een groen tuinterras waar je voor een prikkie heerlijke vegetarische curry, chapati’s en tempura kunt eten, en ook het bier is prima betaalbaar. Eigenlijk is Conspiracy een kunstenaars collectief met meer dan 400 eigenaars. Niet verwonderlijk dat het publiek vooral oude milieuactivisten en NGO types zijn, en ik me er prima thuis voel.

Joey Ayala
Mijn favoriete artiesten zijn Noel Cabagnon – die elke woensdag optreed – en Joey Ayala. Noel en Joey zijn beide oude rotten in het vak, en hebben prachtige liedjes geschreven. Ze zingen over de liefde, over het milieu, over onrecht en over hun idealen. De liedteksten zijn in het Tagalog, maar gelukkig zijn er vertalingen vooraf, ter ere van de Nederlandse fans in de zaal. Resultaat is wel dat er soms meer gepraat wordt dan gezongen. Niet zo erg, want de Filipijnse humor is altijd en overal aanwezig, ook in Conspiracy.

Een van mijn favoriete nummers (geschreven door Joey) is het nummer Simpleng Yaman – eenvoudige rijkdom. De tekst – vrij vertaald – gaat als volgt:
Ik ben een miljonair van zand
En penningmeester van de waterkant
Mijn huis is enorm, want
Ik vaar met de boot van de eetzaal naar de keuken
Het is eenvoudig

Ik ben opgeleid en intelligent
Ik weet altijd hoe laat het is
Mijn medaille is in de visserij
En als vader ben ik cum laude geslaagd
Het is eenvoudig

Eenvoudige rijkdom
Rijke eenvoudige
En jij bent mijn erfgenaam
Van alles wat je ziet

Dit is wel heel vrij, want mijn tagalog en google translate zijn maar beperkte middelen voor dit soort poezie. Wil je ook eens naar Joey of Noel luisteren? Check dan youtube of kom langs!

dinsdag 19 oktober 2010

De paden op, de lanen in

Bij gebrek aan alpenvakantie dit jaar, besluit ik dat het goed is om ‘even een weekendje Maleisie te doen’ om daar een berg te beklimmen. Die berg is niet zomaar een berg; het is een 4000-er. Als je een klimmer bent, dan zeg je nu ‘aaahhhh!!!’ en begrijp je waarschijnlijk heel goed dat ik even naar Maleisie op en neer ben geweest.



Het doel van mijn weekend-vakantie heet Mount Kinabalu. Een mooie granieten dinosaurus van 4095 m hoog. Het is een wandelberg, maar huisvest ook de ’s werelds hoogste via ferrata. Voor wie niet bekend is met dit fenomeen: het is een parcours door een rotswand met veel ladders, kabels en bruggen, en in dit geval op 3700 m hoogte. Een groot speelparadijs waar ik samen met ‘partner in crime’ E.H.Z. van ga genieten.

Heel veel trappen...

De Kinabalu ligt in een prachtig natuurpark, met regenwoud, watervallen en diepe ravijnen. Het eerste deel van de route genieten we van de bomen, varens, beekjes en vleesetende planten. Hogerop wordt het droger en kouder, en nemen naaldbomen en kleiner struikgewas de berghelling over. Ook de rotsen veranderen van kleur; van bruin/grijs naar geel.

Na 3 uur, 1400 hm en 5,5 km komen we bij de boomgrens. Daar staat de hut waar we overnachten. Maar eerst nog verplicht een proefrondje via ferrata afwerken en een overheerlijke maaltijd naar binnen schuiven. De sla, sinaasappel, lam, noodels en soep met stokbrood smaakt extra lekker als je bedenkt dat dit met liefde door lokale dragers omhoog is gesjouwd. Om 8 uur gaat het ligt uit, want de wekker staat op 2 uur.

Zonsopgang
Ik stap met een goed been uit bed, want ik ben redelijk fris en de rest van de route naar boven gaat als een trein. Het is heerlijk om over de enorme granieten plaat naar boven te lopen en de frisse ochtenlucht in te ademen. In 2 uur, 800 hm en 3 km staan we op de top. Het is iets na half 5. Waarom zijn we nou zo snel? Nu is het nog ruim een uur wachten op zonsopkomst, en het is koud zonder muts en wanten (die liggen thuis in NL in de opslag...). Gelukkig worden we beloond met een prachtige zonsopkomst. Snel weer naar beneden, richting het speelparadijs.
Op de top. Brrr...

We gaan als een speer door de via ferrata. Het in en uitklikken van de karabiners voelt vertrouwd, net als het graniet onder mijn voeten en vingers. Ook het ritme van de bergen is heerlijk, af en toe een snickers, een foto en dan weer door. Het wordt steeds warmer, en het is pas 8 uur ’s ochtends. Dat belooft nog wat voor de afdaling vanmiddag.

Na een lunchpauze bij de hut lopen we in nog eens 2 uur naar beneden. Onze gids (een vrouw) roemt ons om ons tempo, ze is blij dat ze lekker vroeg thuis is vandaag.


In de speeltuin


Volgend weekend is de jaarlijkse‘climbathon’ waarbij het de uitdaging is zo snel mogelijk op en neer de berg te beklimmen. Snelste tijd uit 2009 staat op 2 hr 40 min. Hoewel ik trots ben op mijn eigen snelheid (gidsjestijd), denk ik dat ik de climbathon maar oversla dit jaar.